“10.000 euro?!” Jongeren worden weer eens onderschat.

10.000 euro. Ben je voor of tegen?

Onze debatexpert Daan Welling ergert zich aan de vele denkfouten die gemaakt worden als het om jongeren gaat, zo ook in het debat over 10.000 euro startkapitaal voor 18-jarigen.

GroenLinks lanceerde afgelopen donderdag een proefballon in de media. 10.000 euro op je 18e verjaardag. Bedoeld om je studie mee te betalen, een bedrijfje op te zetten, of om jezelf te ontwikkelen. De reacties waren voorspelbaar. Die jongeren, ze zouden het geld maar verbrassen. Uitgeven aan binge drinken. Op vakantie gaan naar Bali. Nee, jongeren kun je niet vertrouwen met zoveel geld. Het is weer tekenend hoe weinig serieus jongeren genomen worden.

Natuurlijk ligt er een mogelijk doordacht argument onder deze reacties. Wat jongeren jongeren maakt is dat ze nog in ontwikkeling zijn. Ze hebben nog niet veel ervaring om uit te putten. We verklaren onszelf ook steeds meer aan de hand van hersenwetenschap. Het “puberende brein” is een begrip.
Tegelijkertijd zijn hier ook kanttekeningen bij te plaatsen. We betoogden al eerder dat het jonge brein al tot veel in staat is. Jongeren kunnen morele oordelen vormen en afwegingen maken. Tieners kunnen hypotheses testen. Ze zijn heel erg trainbaar. Jongeren hebben dus al ontzettend veel capaciteit.
Zijn jongeren in staat om 10.000 euro goed te besteden? Het antwoord op die vraag verdient veel meer discussie dan voortkomt uit simpele stereotypes.

Nuances en categoriëen

Wat dit debat erg lastig maakt is dat “dé jongere” niet bestaat. En dat je niet altijd een jongere blijft. Per definitie is een jongere juist iemand die op weg is naar volwassenheid, en dus continu in ontwikkeling is. Hierdoor zijn discussies over jongeren heel erg vatbaar voor een logische drogredenering: de overhaaste generalisatie.

Bij deze denkfout plak je een specifieke eigenschap op een hele grote groep, zonder dat je daar veel bewijs voor hebt. Bijvoorbeeld: je ziet dat een grote groep jongens bij jou in de buurt in de pauze op school telkens frikandelbroodjes kopen in de buurtsuper. Dus ga je er voor het gemak van uit dat alle jongeren alleen maar de hele dag frikandelbroodjes eten. Maar wat je niet ziet zijn alle jongeren die in de schoolpauze in de kantine blijven en hun meegenomen boterhammen opeten. Je gebruikt dus een te kleine bron van informatie en plakt die op jongeren.

In de discussie rondom jongeren wordt de overhaaste generalisatie vaak samengevoegd met de ‘ecologische fout’. Deze fout zegt zoveel dat als je veel voorkomende kenmerken in een groep ziet, dat je die ten onrechte op een individu plakt. Concreet: als je leest dat Nederlanders grote vleeseters zijn, ga je er vanuit dat elke Nederlander die je ontmoet vlees eet. Maar je kan misschien nu nét een vegetarische Nederlander tegen het lijf gelopen zijn. In de discussie rondom het startkapitaal: ook al denk je dat in het algemeen jongeren dit geld niet goed inzetten, hoeft dit niet voor elke jongeren te gelden.

En de laatste denkfout die gemaakt word is de jongere als niet-veranderlijk te zien. Dit terwijl nu juist het hele punt van het zijn van een jongere is dat ze opgroeien, fouten maken, leren, uitproberen, en volwassen worden. Maar wanneer is iemand nu een jongere en wanneer nu een volwassene? Hier is geen één antwoord op. Kijk alleen al naar wanneer jongeren alcohol mogen drinken. 16 in België, 18 in Nederland, en 21 in de VS. Zijn Belgische jongeren eerder ‘drankrijp’ dan Amerikaanse? Nee! Alleen maken verschillende landen andere inschattingen. En dat toont aan dat je jongere niet als ‘jongere’ behandelt. Net zoals van “De Nederlander”, kunnen we zeggen: dé jongere bestaat niet.

Een hoop denkfouten, dus. Misschien zie je door de bomen het bos niet meer. Hoe kom ik uit dit moeras van drogredeneren?

Omarm de nuance. Een van de manieren waarop je dit doet is door niet te praten over onveranderlijke categoriëen en feiten, en in plaats daarvan te beargumenteren vanuit je waarden. Dus niet: “jongeren zijn dit of dat”. Maar: “Ik vind dat jongeren dit moeten kunnen, of hieraan moeten bijdragen, of deze mogelijkheden moeten krijgen.” En dit advies leidt meteen tot advies twee.

Consistentie

Misschien wel het vervelendste aan de discussie rondom het startkapitaal is hoezeer mensen een inconsistente visie hebben op jongeren. Ze zijn te onverantwoord om 10.000 euro uit te geven. Maar tegelijkertijd moeten ze wel een studie kiezen die de rest van hun leven bepaald. Of hebben ze dat op hun 16e al gedaan, toen ze naar het MBO gingen. En 10.000 euro geven ze onverstandig uit, maar ze mogen wel maandelijks 1.000 euro lenen van Ome DUO. Ook moeten ze hun zorgverzekering afsluiten. Op kamers gaan. En één op de tien kinderen op de middelbare school is al mantelzorger.

Het jongerendebat is daarmee pijnlijk inconsequent. Als je écht vindt dat jongeren geen startkapitaal kunnen beheren, dan geloof je ook niet dat zij al die andere verantwoordelijkheden aankunnen. En dan zou je dus voor veel ruimhartiger beleid zijn dan nu. Dan kun je bijvoorbeeld denken aan gratis huisvesting voor jongeren, want de gevolgen van het lenen voor je huur kunnen ze niet overzien. Of gratis zorg en onderwijs, want zorgverzekering en collegegeld zijn een grote bron van schulden onder jongeren.

Maar zo’n visie op jongeren voelt hopeloos beknepen. Het hoort nu juist bij jongeren dat zij de wereld moeten ontdekken, en daarbij af en toe mogen vallen. En bovendien: dat zij al heel vaak op jonge leeftijd leren verstandige keuzes te maken en verantwoordelijkheidsgevoel hebben. Zoals elke tiende jongere die al mantelzorger is voor zijn of haar ouders, broer, of zus. Of voor die jongere die opgroeit in armoede en nu al vaak het geld van zijn of haar bijbaantje afstaat.

Wat in de discussie misschien nog wel het meest over het hoofd gezien word is dat het startkapitaal-voorstel geen vrijbrief is. In de uitwerking staat dat er eisen gesteld kunnen worden aan hoe je het geld uitgeeft. Dat we jongeren goed kunnen voorbereiden op het maken van verstandige keuzes.

Dit past wat mij betreft perfect bij de filosofie van de rubberen speeltuintegels. Tegenstanders daarvan denken dat het kinderen minder hard maakt, omdat ze het vallen minder erg voelen dan op een betonnen tegel. Maar ik geloof juist in het tegenovergestelde: je krijgt de kans om te mogen vallen. En weer op te staan. En dan durf je daarna nog een keer te vallen. Zo geldt het ook voor het startkapitaal. Het is investeren in een parachute zodat jongeren kunnen én durven springen.

En om jongeren goed voor te bereiden komt debateducatie om de hoek kijken. Zoals ons Mind Your Wallet!-programma, waarbij jongeren bewezen verstandiger en bewuster met geld om leren gaan.