Zet jongeren centraal in het politieke debat

Onze hoofd trainingen Daan Welling beschouwt de beschouwingen.

De Algemene Publieke Beschouwingen zijn het belangrijkste – én langste – debat van het politieke jaar. Hoe lang? Ik analyseerde voor jullie het stenogram, het volledig uitgeschreven debat. Dit bestaat uit 246 pagina’s, en telt 127.561 woorden. Dat is bijna twee keer zoveel als Harry Potter en de Steen der Wijzen. Hoevaak worden jongeren in deze dikke pil genoemd? 57 keer.

Hoeveel is dat nu echt? Nou, ter vergelijking: boeren komen 38 keer voor. Gezondheid? 31 keer. Jongeren komen er dus vrij goed vanaf, denk je. Maar dan kijk je in welke context jongeren voorkomen, en kom je van een koude kermis thuis. Een op de vier keer is in de context van het Marokkanendebat dat Geert Wilders (PVV) opende aan het begin van de beschouwingen. Daarna komen jongeren vaak alleen voor in een waslijst van algemeenheden. Politici stippen hun zorgen aan, maar vertellen niet concreet wat de partijen dan voor jongeren gaan doen.

Dit is vervelend, omdat jongeren meer zijn dan een lijdend voorwerp in het debat. En ze hebben duidelijk geformuleerde eigen eisen. Volgens Coalitie-Y willen jongeren meer baanzekerheid, kans op een goede woning, en een structurele aanpak van klimaatverandering. Het is dan zonde wanneer zij als groep er met de haren bijgesleept worden op een onderwerp dat voor hen van minder belang is. Het is ook jammer wanneer de groep niet volwaardig vertegenwoordigd is.

Welke twee lessen leren we hieruit? Wanneer je een groep vertegenwoordigd in een debat, dan dien je de belangen van die groep oprecht te vertegenwoordigen. En dus niet hen als lijdend voorwerp voor je eigen doelen te gebruiken. Daarnaast is het belangrijk om een groep goed te omschrijven. Treed in details. Geef hen aandacht. Maak jongeren niet onderdeel van een opsomming, maar zet ze centraal in je verhaal.

Gelukkig deden veel politici het ook goed in de vertegenwoordiging van jongeren. Ik stip drie voorbeelden aan, en laat je zien welke lessen je van deze politici kan leren.

Asscher en het belang van een goed voorbeeld

Ten eerste haalt Lodewijk Asscher (PvdA) een goed voorbeeld aan:

“Een aan de ene kant aandoenlijk, maar toch ook wel schrijnend voorbeeld vond ik Sarah. Zij is 17 en ze vertelde mij dat ze bij een ijssalon werkte toen de crisis begon. Ze moest eruit en vond werk bij een grote supermarkt, zoals je dat hoort te zeggen. Daar werkte ze achter de kassa. Ze vond het heel leuk werk. Binnen de kortste keren werd ze gepromoveerd naar de groenten. Dat is een plek met meer verantwoordelijkheid. Ze had een fijne baas. Maar ze vertelde dat het ook wel heftig was. Er waren best veel klanten in zo’n winkel die het allemaal maar onzin vonden of die zich niet aan de regels hielden. Zij bogen over haar heen of kwamen met klachten naar de winkel. Voor haar had dit best wel gevolgen. Ze kon ook niet naar haar oma gaan. Daar maakte ze zich zorgen over.”

In dit voorbeeld deelt Asscher de zorgen van Sarah over het coronacrisis. In plaats van dat hij de zorgen van jongeren benoemd, geeft hij een aansprekend voorbeeld. Dit blaast leven in het verhaal van jongeren. Het zorgt ervoor dat je je in hen kan verplaatsen. De debattip die Asscher – niet voor niets gekozen tot beste debater bij de ABP – gebruikt is als volgt: gebruik beeldende taal om te overtuigen.

Heerma en het belang van counterframing

Een ander voorbeeld van hoe je op de juiste manier over jongeren praat komt van Pieter Heerma (CDA). In reactie op Wilders’ tirade rondom Marokkanen, zegt hij het volgende:

(…) En ja, er zijn jongeren die over de streep gaan. Er is in dit parlement niemand die daarvan zegt dat daar niks aan hoeft te gebeuren. Als criminele Nederlands-Marokkaanse jongeren de wet overtreden, moeten ze aangepakt worden. Dan moeten onze jongeren — want het zijn Nederlandse jongeren — aangepakt worden. Zij moeten bestraft worden. Maar de heer Wilders heeft het over “de verkeerde lijstjes”. Er zijn ook andere verkeerde lijstjes. Namelijk: geen kans maken op een stage, afgewezen worden voor een baan, niet de discotheek in mogen en je moeten invechten in de Nederlandse samenleving terwijl je minder kans krijgt omdat er stigma’s en vooroordelen zijn die niet op jou persoonlijk van toepassing zijn maar op een andere groep. Komt de heer Wilders ook op voor deze jongeren, die ook onze jongeren zijn?

Wat doet Pieter Heerma hier nu zo goed? Hij reageert ten eerste goed op Wilders’ frame door te counterframen. Dit zijn geen “Marokkaanse” jongeren, maar “onze jongeren” en “Nederlandse jongeren”. Het is belangrijk dat je niet de woorden van je politieke opponent overneemt. Wilders heeft een neutrale term – Marokkaan – gebruikt, en daar allerlei assumpties onder gehangen. Een “Marokkaan” in Wilders’ taalgebruik is iemand die steelt, die niet naar school gaat, en die meisjes naroept op straat. Doordat Heerma niet Wilders woorden overneemt, kan het frame niet blijven hangen.

Als tweede stap verandert Heerma de assumpties van het debat. Dit doet hij met zijn opsomming van “verkeerde lijstjes”. Volgens Heerma is een Marokkaans-Nederlander iemand die makkelijker afgewezen word voor een baan, iemand die geweerd word uit de club, en last heeft van stigma’s en vooroordelen. Dit verandert de lading van het subject van het debat.

Wat zijn dus de lessen van Heerma? Counterframen doe je door:

  1. Vermijd de woordkeuze van je opponent: kies je eigen woorden!
  2. Vervang de aannames van je opponent door je eigen context expliciet te benoemen.

Klaver en jongeren centraal in je verhaal zetten

De meeste politici benoemden problemen, en gaven aan dat die problemen ook voor jongeren gelden. Jesse Klaver (GroenLinks) deed het andersom:

Onze kwetsbaarheid gaat niet alleen over gezondheid, maar ook over onze samenleving en treft juist onze jongeren. Maar zijn wij wel solidair met hen? Kijk naar het onderwijs: daar wordt de kansenongelijkheid versterkt. Hoe hard scholen ook werken, ze hebben minder zicht op kwetsbare leerlingen die geen ouders hebben die thuis kunnen bijspijkeren of helpen met wiskunde of met rekenen, kinderen die geen fancy laptops of iPads hebben en die minder gestimuleerd worden om thuis net zo hard te werken als op school. Welke maatregelen neemt het kabinet om die toename in ongelijkheid tegen te gaan?

Of kijk naar de arbeidsmarkt. Daar wordt de tweedeling die er toch al was, nog veel scherper. Flexwerkers met een oproep- of uitzendcontract zijn hun baan kwijtgeraakt. Hun inkomen gaat er drastisch op achteruit. Voor hen geen koopkrachtplaatje met een klein plusje, maar een steile glijbaan naar schulden en onzekerheid. Juist daarom hebben we een crisisinkomen voorgesteld voor flexwerkers en zzp’ers, voor al die mensen die werken in de culturele sector en voor wie er voorlopig geen verbetering in zit. Want het zijn vaak juist jongeren met flexcontracten die geraakt worden. De schok van de crisis wordt net als de vorige keer op hen afgewenteld. Geen baan, geen inkomen, vaak geen woning, geen stageplekken, geen reddingsplan. Zij vallen buiten de boot.

In het jaar van Black Lives Matter constateert het Centraal Planbureau dat in deze crisis discriminatie op de arbeidsmarkt verder toeneemt, dat je achternaam of huidskleur wel degelijk uitmaakt als je werk zoekt. Welke conclusie trekt het kabinet hieruit? Dat jongeren zich maar moeten invechten? Of gaan we nu eindelijk concreet beleid maken om institutioneel racisme aan te pakken?

Klaver benoemt hier veel van de onderwerpen waar andere sprekers jongeren ook bij betrekken: onderwijs, werk, wonen, en discriminatie. Maar in plaats van jongeren door het lens van zo’n thema’s te zien, ziet hij die thema’s door het lens van jongeren. En dat zet hún belangen centraal.

Wat is de les van Klaver? Benader je thema’s door actief je doelgroep aan te spreken, in plaats van je doelgroep aan te spreken aan de hand van thema’s. Dit zorgt ervoor dat je doelgroep zich gehoord voelt. En het maakt je argument veel concreter.

Hoe nu verder?

De ABP grossierde in probleemstellingen rondom jongeren. Ze komen moeilijker aan een baan of stage. Er is een groot woningprobleem. De solidariteit rondom corona word niet vertaald in solidariteit rondom het klimaat. Zeker oppositiepartijen maakten hierover veel kabaal.

Maar waar zijn de oplossingen? Slechts één ingediende motie probeerde iets op te lossen. Farid Azarkan (DENK) en Rob Jetten (D66) kwamen met het idee om meer stageplaatsen voor met name MBO-studenten aan te bieden bij de Rijksoverheid. Deze motie heeft het echter niet gehaald.

Waar we in een debat je retorische kracht beoordelen, kijken we bij politiek ook naar hun oplossingen. Debat is daarom volgens ons geen doel, maar een middel om beleidsverandering te bereiken. En hier is nog werk aan de winkel.

Een reactie op “Zet jongeren centraal in het politieke debat

  1. Pingback: Toets de generatietoets mét de héle generatie - Open UP

Reacties zijn gesloten.